Advocaten willen meer bevoegdheden in jacht op fraudeurs


Advocaten willen meer bevoegdheden in jacht op fraudeurs

Gepubliceerd op www. FTM.nl.

Klik hier voor de officiële link naar het interview met Kees van de Meent.

Dennis Mijnheer In de jacht op witteboordencriminelen krijgt het Openbaar Ministerie gezelschap van forensisch accountants en advocaten die meejagen op de criminele winsten. Advocaat Kees van de Meent volgt voor gedupeerden van financiële criminaliteit het geldspoor. Om daar bij aankomst beslag op te leggen. Hij pleit voor invoering van een third party disclosure regeling in Nederland, een juridische procedure om banken te bewegen om rekeninghouders-informatie van fraudeurs af te staan.

Het bestrijden van witteboordencriminaliteit is inmiddels niet langer alleen voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Zo begon in mei het Institute for Financial Crime in Den Haag, een publiek-privaat ‘expertise-centrum’ onder leiding van forensisch accountant Arthur de Groot. Het bestrijden van internationale fraude heeft ook plaats vanuit van ICC FraudNet, een internationaal netwerk van advocaten die opkomen voor benadeelden door fraude. In zijn bittere strijd tegen witteboordencriminelen, en geplaagd door gebrekkige middelen, krijgt het Openbaar Ministerie steeds meer hulp van commerciële stoottroepen die langs civielrechtelijke weg willen bijdragen aan de bestrijding van fraudeurs.

Maar ze stuiten in de praktijk op de nodige hordes zoals de ‘Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen’ – de regels waarmee Nederlandse banken de privacy beschermen van haar rekeninghouders. Oók als dat malafide rekeninghouders betreft. De Nederlandse advocaat Kees van de Meent, specialist op het gebied van asset recovery en het enige Nederland lid van ICC FraudNet pleit voor een uitzondering.

In wat voor gevallen wordt u benaderd voor het achterhalen van bezittingen?

‘Het kan zijn dat bijvoorbeeld een curator in een faillissement van een bank in Brazilië constateert dat er vermogen is verdwenen voorafgaand aan het faillissement. Als er dan een vermoeden is dat het geld naar een bankrekening in Nederland is gegaan, dan kan ik ingeschakeld worden. Een ander geval is een Amerikaans bedrijf dat een schip kocht in China. Daarover vond emailverkeer plaats, maar op een gegeven moment is daarop ingebroken. De klant dacht dat hij nog mailde met de Chinese contactpersoon, maar hij bleek al maanden met de hackers te mailen. Voor de laatste betaling werd een Nederlandse bankrekening opgegeven en een substantieel bedrag werd overgemaakt. Verzoek aan mij was om de slotbetaling die niet bij de Chinese leverancier terecht was gekomen veilig te stellen.’

Dit lijkt een typisch geval van oplichting, waarom wordt zo’n zaak niet overgedragen aan de politie?

‘Dat wordt ook gedaan, maar de civielrechtelijke route is in zo’n geval vaak de snelste manier om resultaat te boeken. Het is sneller dan aangifte doen, zorgen dat er iemand van het Openbaar Ministerie in actie komt en er strafrechtelijk beslag wordt gelegd. Ik moet snel voor benadeelden kunnen optreden, want als ik niet binnen 1 of 2 dagen kan acteren dan is het geld al niet meer in Nederland en moet er weer actie worden ondernomen in een andere jurisdictie. De verschillende sporen – civielrechtelijke weg en de strafrechtelijke weg – bestaan overigens niet enkel naast elkaar. In werkelijkheid wordt er ook vaak samengewerkt met het openbaar ministerie, iets wat ik zeer toejuich.’

Welke acties kunt u civielrechtelijk ondernemen?

‘Mijn vak bestaat voor 80 à 90 procent uit het toegang krijgen tot informatie, want pas als duidelijk is wat er precies is gebeurd kan ik actie ondernemen zoals het laten leggen van beslag. We beginnen in de regel met het inschakelen van specialistische onderzoekers. Die zijn in staat om snel toegang te krijgen tot allerhande openbare bronnen. Als het publieke domein onvoldoende informatie oplevert dan proberen we via civielrechtelijke weg een discovery procedure te starten om aan informatie te komen.’

Aankloppen bij banken om gegevens over de rekeninghouder te krijgen?

‘Als ik bij een Nederlandse bank een informatieverzoek neerleg dan krijg ik een brief terug: we begrijpen dat u informatie over een klant van ons wilt hebben, maar die kunnen wij u niet verstrekken vanwege onze contractuele relatie met de rekeninghouder en door privacyregelgeving. Ons rest dan niets anders dan een zogenaamde 843a Rv [artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red] procedure te starten. Dat is een gerechtelijke procedure om toegang te krijgen tot informatie van bijvoorbeeld derde partijen zoals een bank. Het grote risico verbonden aan het voeren van zo’n procedure is echter dat degene die schade heeft toegebracht weet krijgt van zo’n verzoek en het geld overmaakt naar een bankrekening in een andere jurisdictie. En dan moet je dáár weer aan de slag.’

Hoe vaak loopt u tegen een muur aan bij banken waardoor het geld al is doorgesluisd?

‘Wij lopen regelmatig tegen deze problematiek aan. Het zit ons in de weg om op een efficiënte wijze op te kunnen treden tegen fraudeurs. Het kost tijd, tijd die nu juist zo essentieel is in de eerste fase van een fraudezaak. En het feit dat de vertrouwelijkheid niet geborgd is levert het risico op van doorsluizen van vermogen naar andere jurisdicties. We zien ook dat asset recovery advocaten uit andere jurisdicties om die reden proberen om langs een omweg aan de benodigde informatie te komen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van discovery mogelijkheden in andere jurisdicties. Dat zou naar mijn mening niet nodig moeten zijn.’

Welke opties heeft u Nederland nog meer om informatie te vergaren?

‘We sturen nog weleens een brief naar een bank waarin we in detail uitleggen wát er aan de hand is en dat we vinden dat ze een fraudeur aan het faciliteren zijn door deze fraudeur een rekening te laten aanhouden waarover betalingen lopen die niet door de beugel kunnen. En dat dit faciliteren mogelijk onrechtmatig is ten opzichte van onze cliënt. En dat daar schade uit kan voortvloeien voor onze cliënt en we ze daar aansprakelijk voor houden als ze zulke betalingen blijven faciliteren. Ook laten we dan weten dat ze wat ons betreft gehouden zijn informatie met ons te delen over de betreffende rekeninghouder en over betalingen die zijn verricht zodat we maatregelen kunnen treffen. Tot slot laten we weten dat ze de inhoud van zo’n brief níet mogen delen met hun rekeninghouder omdat dat extra schade kan veroorzaken. Soms zegt een medewerker van een bank dan dat hij weinig ruimte heeft om mee te werken, maar dat hij gaat kijken wat hij wel kan doen. Ook een bank wil natuurlijk niet betrokken zijn bij het faciliteren van financiële criminaliteit.’

Het gevolg van de juridische power play zijn geheime enveloppen in de parkeergarage?

‘Nee, als we informatie krijgen willen we die kunnen gebruiken. Niet alleen in Nederland, maar ook als dat aan de orde is in gerechtelijke procedures in andere jurisdicties’

Hoe genegen is de Nederlandse financiële sector om informatie te verschaffen in vergelijking tot buitenlandse banken?

‘In het Verenigd Koninkrijk en in andere common law jurisdicties zoals Hong Kong, Australië en belastingparadijzen als Belize, de Kaaiman eilanden, de Britse Maagden eilanden en St Kitts & Nevis is het makkelijker, want zij kennen een third party disclosure procedure. Dat is een juridische procedure om informatie van een bank of trustkantoor te verkrijgen. Door een advocaat wordt een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarin tot in detail wordt uiteen gezet wat er aan de hand is en wat het belang is om op vertrouwelijke basis informatie te verkrijgen van bijvoorbeeld een bank die vaak onvrijwillig betrokken is bij financiële criminaliteit door een rekeninghouder. Denk aan een rekeninghouder die geld afkomstig van financiële fraude over zijn bij de bank aangehouden bankrekening laat lopen. Voor de benadeelde partij wil ik dan graag beschikken over de know your customer informatie [kyc, het verplichte klantendossier dat banken moeten aanhouden over hun rekeninghouders, red.] en bankafschriften van de betreffende rekeninghouder over een bepaalde periode.

De rechtbank kan dan een third party disclosure order geven waarin de bank wordt verplicht om de betreffende informatie over zijn cliënt te verstrekken. Bovendien mag zo’n bank zijn rekeninghouder níet op de hoogte stellen van de informatieverstrekking. Daar zijn ook stevige sancties op gesteld, zoals contempt of court [belediging van de rechter, red.] en inbeslagname van assets als tóch informatie wordt gedeeld. Op die manier kun je in een common law jurisdictie aan informatie komen. Niet alleen aan gegevens over betalingen die via een bankrekening zijn gelopen, maar ook aan informatie over aandeelhouders en kopieën van paspoorten van natuurlijke personen achter rechtspersonen. In common law jurisdicties wordt in dit soort gevallen aan het belang van de benadeelde partij door financiële criminaliteit meer gewicht toegekend dan aan het belang van de fraudeur. Het zou goed zijn als er in Nederland een soortgelijke third party disclosure regeling zou komen.’

Daar zal het College Bescherming Persoonsgegevens anders over denken.

‘Daar ben ik niet zo zeker van. Uiteraard zal er een duidelijke scheidslijn geformuleerd dienen te worden over wanneer het belang van de benadeelde partij voor gaat en wanneer het belang van de klant van een bank of trustkantoor. We hoeven gelukkig niet zelf het wiel uit te vinden. Dat is in het Verenigd Koninkrijk al gebeurd. Laten we vooral gebruik maken van de daar al opgedane ervaringen en ontwikkelde case law [jurisprudentie, red.].’

Waar moet die scheidslijn volgens u dan komen te liggen? Bij bedragen boven de 100 duizend euro? Als er sprake is van strafrechtelijke feiten zoals oplichting, flessentrekkerij, of al bij een niet-betaalde factuur? 

‘Het zou een uitzondering op de regel moeten betreffen. In de context van financiële criminaliteit. Niet als enkel sprake is van een niet betaalde factuur. In common law jurisdicties is dit al in detail uitgewerkt in case law en vandaar mijn suggestie om niet zelf het wiel uit te vinden en aan te knopen bij de praktijk in common law jurisdicties. De eerste belangrijke zaak in dit verband betreft een zaak uit 1973 uit het Verenigd Koninkrijk, de zogenaamde Norwich Pharmacal zaak. Daar werd uitdrukkelijk bepaald dat niet het belang van de fraudeur, de schade toebrengende partij, voorrang diende te hebben, maar het belang van de benadeelde partij.’

Het is alleen de omgekeerde wereld, want er is enkel een vermoeden van fraude, maar nog geen daadwerkelijk gerechtelijk oordeel.

‘In Nederland bestaat de mogelijkheid om vooruitlopend op het starten van een juridische procedure conservatoir beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij. Dat doet een advocaat door in een verzoekschrift uit te leggen dat zijn cliënt een vordering heeft op een andere partij en dat zijn cliënt ter zekerstelling van zijn vordering beslag wenst te leggen op bijvoorbeeld een door zijn wederpartij aangehouden bankrekening. Dat kan in Nederland op vertrouwelijke basis, het doen van zo’n verzoek. De andere kant van het verhaal is wel dat als dit beslag wordt gelegd voor een vordering die niet blijkt te bestaan dit beslag onrechtmatig kan zijn met de verplichting voor de beslaglegger om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Een soortgelijke regeling zou ook kunnen gelden bij een third party disclosure regeling in Nederland. ’

 

 

 

  • Deel dit bericht

Laatste nieuws

Meer informatie


Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neemt u dan contact op met Kees van de Meent.