De heer Jansen, werknemer van Albert Heijn, wordt op staande voet ontslagen wegens fraude.
‘Oud recht’
Voor de invoering van de WWZ was het standaardpraktijk dat na een ontslag op staande voet door de werkgever een briefje volgde van de (advocaat van de) de heer Jansen waarin de nietigheid van het ontslag op staande voet werd ingeroepen. Albert Heijn begon dan doorgaans een procedure om zekerheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. Doordat deze procedure tot aan de Hoge Raad gevoerd kon worden, en hiermee meerdere jaren duurde, voorzag de praktijk in de mogelijkheid de (kanton)rechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden. De werkgever kreeg daarmee op korte termijn de gewenste zekerheid over het einde van het dienstverband.